Een schilderij ontstaat voor mij niet vanuit een idee dat ik wil illustreren. Het begint meestal met een gevoel, een vraag of een ervaring die zich nog niet volledig laat benoemen. Iets dat aandacht vraagt zonder dat ik precies weet waarom.
Ik vergelijk het soms met een deur die op een kier staat. Je weet niet wat erachter ligt, maar je voelt dat er iets aanwezig is dat onderzocht wil worden.
Tijdens het schilderen probeer ik die ervaring niet te verklaren, maar er ruimte voor te maken. Mijn schilderijen vertrekken daarom zelden vanuit een afgewerkte figuur of een vooraf bepaald verhaal. Ze ontstaan vanuit een waarnemingsveld: een ruimte van kleur, materie, sporen en tekens waarin langzaam iets zichtbaar wordt.
Lijnen verschijnen. Vormen verdwijnen. Sporen worden overschilderd.
Wat eerst abstract lijkt, kan plots als een lichaam gelezen worden. Wat op een figuur lijkt, kan even later opnieuw oplossen in kleur en ruimte.
Dat proces van verschijnen en verdwijnen vormt de kern van mijn werk. Ik schilder geen figuren. Ik onderzoek de voorwaarden waarin een figuur verschijnt.
Misschien ontstaat een schilderij precies daar: op het moment waarop iets betekenis krijgt zonder zich volledig te laten vastleggen.