Onlangs had ik in de galerij een boeiend gesprek over detectiesystemen, gezichtsherkenning en artificiële intelligentie. We spraken over camera's die emoties proberen te herkennen, algoritmen die het gedrag voorspellen en systemen die steeds beter lijken te begrijpen wie wij zijn.
Tijdens dat gesprek kwam de vraag in me op: wat gebeurt er met onze manier van kijken wanneer bijvoorbeeld een interface steeds vaker tussen ons en de wereld komt te staan?
Het liet me ook denken aan de film ‘Blow-Up’ van Antonioni uit 1966. In deze film probeert een fotograaf via steeds grotere vergrotingen dichter bij de werkelijkheid te komen. Maar hoe dichter hij het beeld onderzoekt, hoe meer het uiteenvalt in korrel en onzekerheid.
De technologie belooft meer zichtbaarheid maar plaatst zich tegelijkertijd tussen hem en datgene wat hij probeert te begrijpen. Meer kunnen zien betekent blijkbaar niet noodzakelijk beter kunnen waarnemen.
Dit is een kort fragment waar de fotograaf in de film probeert te begrijpen wat hij gezien heeft. Hoe nauwkeuriger hij probeert te zien, hoe raadselachtiger het beeld wordt..
https://www.youtube.com/watch?v=tapbpd5uZ5g
Onze waarneming is altijd gekleurd geweest door cultuur, taal, herinneringen en techniek. Maar vandaag komt er een nieuwe laag tussen ons en de wereld bij: digitale systemen die niet alleen registreren wat zichtbaar is, maar het ook classificeren, interpreteren en vertalen naar data.
Zo wordt een gezicht een dataset. Een lichaam wordt een bewegingsprofiel. Een wandeling wordt een set van locatiegegevens. Een voorkeur wordt vertaald in een algoritme.Langzaam verschuift de grens van wat wij als menselijke ervaring beschouwen. Misschien is die grens nooit absoluut geweest. Religie, opvoeding, taal en cultuur hebben ons altijd doorheen de geschiedenis gevormd. Maar vandaag lijken digitale systemen zich steeds dichter op onze huid te bevinden. Ze kennen onze gewoonten, onthouden onze voorkeuren en anticiperen op gedrag nog vóór wij ons daarvan bewust zijn. Door voortdurende optimalisatie van ons gedrag en gewoonten wordt de interface steeds meer een verlengstuk van onze waarneming. Dit raakt aan een van de belangrijke punten die ik in mijn schilderkunst stel: wat blijft er van onze ontvankelijkheid over wanneer wij onszelf steeds vaker leren kennen via systemen die ons voortdurend spiegelen?
In mijn schilderijen probeer ik net ruimte te maken waarin kijken opnieuw een ontmoeting kan worden en niet alleen herkenning. Waar een gezicht niet onmiddellijk een identiteit is. Waar een landschap niet onmiddellijk informatie wordt. Waar betekenis nog niet volledig vastligt.
In de film Blow-Up kijkt de fotograaf aanvankelijk naar de werkelijkheid. Daarna kijkt hij naar de foto om te ontdekken wat er in de werkelijkheid gebeurd is. Vandaag gaan we nog een stap verder: het digitale beeld wordt door systemen voor ons gelezen. De machine herkent een gezicht, markeert een object, classificeert gedrag en produceert daaruit betekenis.
Wat betekent het eigenlijk nog om mens te zijn wanneer onze manier van waarnemen voortdurend mee wordt gevormd door de systemen waarmee wij leven?