Vaak begin ik heel associatief aan een schilderij. Een kleur roept spontaan een andere kleur op, een lijn verandert de ruimte, een vorm verschijnt en verdwijnt weer tijdens het schilderproces. Pas achteraf merk ik dat het schilderij mij ergens naartoe heeft gebracht.
Tijdens dat proces ervaar ik soms een merkwaardige verschuiving. Het onderscheid tussen binnen en buiten wordt minder belangrijk. Herinneringen, indrukken, landschappen en gevoelens lijken zich met elkaar te vermengen. Ik schilder geen boom, geen vaas of een landschap. Ik schilder een ervaring waarin die grenzen langzaam oplossen. Waar er nog sporen overblijven.
Als men zich in de kunst verdiept ontdek je dat verschillende tradities woorden hebben voor iets wat ik intuïtief al tijdens het schilderen had ervaren. Het boeddhisme bijvoorbeeld spreekt over het loslaten van het vaste zelf. Filosofen schrijven over de waarneming, de schoonheid en het sublieme. En onze digitale cultuur laat zien hoe gemakkelijk onze aandacht voortdurend wordt gevormd door beelden en verwachtingen. Er is veel literatuur over deze onderwerpen geschreven.
Mijn schilderijen proberen echter die werelden niet te verklaren. Of er een illustratie van te zijn.
Ze brengen ze min of meer samen in één ruimte. Meestal gaat er een waarneming aan vooraf, een zekere activiteit van bewustwording van een toestand. Dat verschuift vaak naar ontvankelijk worden voor hetgeen zich aandient, of het nu een persoon of een landschap is. Het is vooral een houding waar je niet probeert te (be-)grijpen, te beheersen of te verklaren maar openstaat voor hetgeen zich aandient. Het is geen vlucht uit de werkelijkheid maar een toestand waarin de werkelijkheid opnieuw raadselachtig mag worden.
Ik merk ook dat ik tijdens het schilderen steeds minder geïnteresseerd ben in wat een vorm voorstelt. Vroeger zocht ik nog naar een zekere herkenning. Vandaag zoek ik eerder naar het moment waarop herkenning begint te verschuiven. Een vorm is nog aanwezig, maar ligt niet langer volledig vast. Voor mij is dat geen abstractie, maar een andere manier van kijken en aanwezig zijn. Er ontstaat ruimte voor wat zich nog niet laat benoemen.
Voor mij ligt de kracht van schilderkunst in haar meerlagigheid. Een schilderij draagt sporen van een innerlijke houding, van de wereld waarin we leven én van een open ruimte waarin verwondering kan ontstaan. Juist in die ontmoeting tussen het persoonlijke, het maatschappelijke en het ongrijpbare ontstaat wat ik de ‘Wakkere Droom’ ben gaan noemen.